Een middag Burgerparticipatie met Evelien Tonkens
Scoopera - Middelburg, vrijdagmiddag 16 oktober 2009
Debatleiding: Susan van der Beek (Scoop)
Deelnemers: 48
"Is participatie zo moeilijk?" was het thema deze middag. Na het welkomstwoord van Scoopdirecteur Dick van den Bout, waarin hij pleit voor burgerschap op de maatschappelijke agenda en tevens wijst op de onlangs verschenen publicatie De Scoop op…. actief burgerschap, krijgt Evelien Tonkens, hoogleraar Actief Burgerschap aan de Universiteit van Amsterdam het woord. Haar publicatie “Bewonersparticipatie tussen overschatten en overvragen” is hierbij het uitgangspunt. Zij ontrafelt de burgerparticipatie en ontwikkelde de “Schijf van Vijf” voor participatie.
Zowel bij overheid als burgers spelen 4 moeilijk verenigbare motieven bij participatie:
- Invloed
- Efficiëntie (overheid wil snel draagvlak voor plannen krijgen)
- Ontplooiing
- Verantwoordelijkheid geven (bv. wijkbudgetten) en nemen
Tussen invloed willen hebben en efficiënt bezig zijn zit al een spanningsveld, aldus Tonkens
Er spelen 5 hardnekkige problemen:
1. Macht en invloed
2. Representatie
3. Deskundigheid
4. Onderlinge belangentegenstellingen
5. Efficiëntie: democratie moet integer en fatsoenlijk georganiseerd worden en dat kost tijd! Dit lijkt in strijd met de gewenste efficiëntie bij uitvoering van de plannen
Participatie moet je goed organiseren met oog voor deze problemen:
Ad 1: burgers hebben weinig invloed, althans voelen dat zo.
Het zijn altijd dezelfden die in komen spreken: de buurtburgemeesters. Het gros van de mensen komt niet naar dit soort inspreek-meebeslis- of hoe je ook moge noemen - avonden, middagen.
Legitimeringprobleem: De overheden willen snel draagvlak voor te nemen beleidsmaatregelen. De burger wordt dan even snel “gehoord”.
Oplossingen: ontwar de motieven (invloed vs. Draagvlak)
Structureer het participatieproces zodat ook de mening van burgers gehoord wordt die niet zo snel hun mening laten horen. Stel bv. een goede voorzitter aan die ook anderen bevraagt, huur externe adviseurs in die het proces begeleiden, stel een externe auditcommissie in.
Ad 2: hoe representatief is de actieve burger?
Veel mensen durven hun mening niet naar voren te brengen. Ga die mensen dan ook zelf opzoeken. Jongeren, ouderen, over onderwerpen die hen specifiek aangaan. Tonkens verwijst naar Hannah Pitkin. Die zegt:
Representatie kent 3 aspecten
a) Functioneel: via loting kies je bijvoorbeeld mensen uit die over een bepaald onderwerp hun mening kunnen laten horen; je kunt hen vervolgens laten stemmen op stellingen. Als je hen laat weten dat het heel bijzonder is dat het lot net op hen gevallen is om mee te praten, al is het over het meest saaie onderwerp (bijvoorbeeld verandering van het kiesstelsel), dan komen ze wel.
b) Descriptief: Zorg voor diversiteit naar leeftijd, sexe, etc.
c) Symbolische representativiteit: ook qua standpunten en gevoelens moet er een juiste vertegenwoordiging zijn.
De zgn. buurtburgemeester kan best de gevoelens en standpunten van de gemeenschap verwoorden, maar dat moet je wel checken bij mensen: Hoe groot is het draagvlak van de buurtburgemeester? Wie vertegenwoordigt hij? Kijkt hij ook naar belangen van anderen? Je zou zo’n sleutelfiguur in kunnen zetten om de meningen van andere bewoners te gaan peilen.
Ad 3: Deskundigheid
Burgers willen het volgens beleidsmakers altijd alleen maar over de details hebben: hondenpoep, burenoverlast, losliggende tegels; en hebben het nooit over grote lijnen.
Toch hebben ze heel veel ervaringsdeskundigheid over hun eigen woon- en leefomgeving. Die ervaringsdeskundigheid moet je waarderen, naar boven halen, maar daarbij moet je wel gericht te werk gaan. Weer diverse mensen peilen, doorvragen, niet als stoplap gebruiken.
Ad 4: Belangen
Iedereen heeft zo zijn eigen belangen, en die conflicteren. NIMBY/Nivea (niet in mijn voor- en achtertuin) -effecten treden op. Benoem en erken die diverse belangen. Dè Burger bestaat niet; dat zijn allemaal verschillende mensen met diverse belangen die strijdig (kunnen) zijn. Spreek de burger vooral aan als burger, en niet als consument.
Ad 5: Efficiëntie
Een goed participatieproces kost tijd en werkt traag. Toch levert het uiteindelijk betere resultaten op. De winst zit in het proces. Het leidt tot aantoonbaar beter beleid. Ook bij implementatie van beleid zou je burgers moeten betrekken, niet alleen bij het vooraf toetsen van plannen.
Tot zover Evelien Tonkens. Cees Liefting, Wethouder in Terneuzen, is gevraagd op haar verhaal te reageren. Hij zegt zich in het betoog van Tonkens te herkennen, maar niet te geloven in het georganiseerde participatieproces. Zijn devies: regel niet alles in verordeningen en regels. Benader sleutelfiguren in een wijk, en die benaderen dan weer anderen. Maak dat burgers met elkaar in contact komen, bijvoorbeeld tijdens een feest.
Er is wel een belangrijke voorwaarde: Zorg dat de dagelijkse irritatiepunten eerst opgelost zijn. Dus eerst de stoeptegels recht, voordat je met bewoners om de tafel gaat zitten.
Terneuzen heeft onlangs onderzoek laten doen naar wijk- en dorpsraden onder de titel: “Zorgenkindjes of moeders liefste?”. Vanuit de zaal wordt gesteld: Als dorps- en wijkraden niet representatief zijn, dan ze liever niet betrekken!
Hier komt dus een tegenstelling aan het licht: Evelien Tonkens zegt dat je actieve burgerparticipatie kansen moet geven door het goed te organiseren, Cees Liefting is meer voorstander van: laat het aan het burgerinitiatief zelf over. Als dorps- en wijkbewoners zich niet vertegenwoordigd voelen door de dorps- en wijkraad, dan zoeken ze vanzelf wel andere middelen en wegen om hun stem te laten horen. Liefting probeert wel te kijken of dorps- en wijkraden enigszins representatief zijn voor de bevolking; het moet geen ‘vrienden’clubje zijn. Als je dorpsbewoners verantwoordelijkheid geeft via een wijkbudget moet je wel nagaan of ze daarmee niet hun eigen stokpaardjes gaan financieren.
Je ziet ook het verschijnsel opkomen dat raadsleden in een dorps- of wijkraad gaan zitten met het oog op de komende gemeenteraadsverkiezingen. Deze "dubbele petten"-strategie vindt Liefting volstrekt verwerpelijk. Belangen moeten van te voren volkomen doorzichtig zijn. Dit geldt ook voor de gemeente: Maak bewoners vooraf duidelijk hoeveel speelruimte ze hebben. Als je als “onbeschreven boek” of zgn. met open mind naar bewoners gaat, geef je ze ook valse hoop. Dé burger bestaat niet: het zijn allemaal mensen met tegenstrijdige belangen, en soms zelfs in een persoon tegenstrijdig al naar gelang de functie of positie waaruit gepraat wordt.
Het gesprek met de zaal wordt geleid door Susan van der Beek, sectorhoofd bij Scoop. Er wordt gevraagd naar het primaat van de politiek: gemeenteraadsleden lijken het niet zo op wijk- en dorpsraden te hebben. Hoe zit het met hun representativiteit, is daarbij de kwestie. Van de andere kant geredeneerd: hoe verhoudt actief burgerschap zich tot het primaat van de politiek? Dit blijft een eeuwig spanningsveld.
Geconstateerd wordt dat het tijd is voor een herwaardering van de professional die burgerparticipatie kan begeleiden. Verschillende gemeenten en/of woningbouwcorperaties denken aan het (opnieuw) aanstellen van “opbouwwerkers”.
Hoe ga je om met de emoties van de burger? Er is tegenwoordig zoveel chagrijn, zoveel negativiteit. Mensen willen helemaal geen burgerinitiatief ontplooien, ze willen alleen maar hun afkeer van de overheid tonen. De discussie wordt op dat moment -om den tijdswille- door de gespreksleidster afgerond, maar niet nadat de aanpak rond de bevolkingskrimp (NieuwZeeland – Op pad) is toegelicht: Opzet was de burgers van begin af aan te betrekken (en bewust te maken). Aansluiten bij bestaande verbanden(dorpsraden cq.) lijkt daarbij goed te werken.
Susan van der Beek sluit het debat met de uitnodiging Evelien Tonkens te vergezellen naar de Drvkkery voor de presentatie van haar nieuwe boek: Spugen op kleine leiders. De discussie over Actief Burgerschap verdient en krijgt een vervolg.
Zie ook website: www.actiefburgerschap.nl
Evelien Tonkens verwees in haar inleiding naar Archon Fung: www.archonfung.net